Aan de toiletsleutel ziteen houten lepel.Zodat niemand hem meeneemt.Ze nemen hem elke dag mee.Hij ligt niet achter de kraan.
Wie heeft de lepel?De grote, waar je niets aan hebt.
Fede doet de la voor me open.Er liggen lepels in drie maten.Geen heeft een touwtje of een sleutel.Julián gaat naar de ficus kijkenen vindt een groene aansteker.
Nati wacht in de gang.Ze zegt dat ze geen haast heeft.Ze zegt het vier keer.Ik ben al bij de derde la.Ze blijft bij de deur staan,haar tas tussen haar knieën.Rosi wijst naar mijn zak.Ik haal er een potlood en twee elastiekjes uit.
Wie heeft de lepel?Die met het rode koord.
Ik hoor een tik tegen een poot.Dan drie tegen een stoel.Nico dirigeert een orkest,zijn hand onder de ham.Elke keer dat zijn arm omlaag gaat,tikt er iets tegen het hout.
Ik vraag hem even te stoppen.Het hele ritme stopt.Met de lepel wijst hijnaar zijn vader, die nog tikt.De sleutel hangt aan de steel.Nati staat uit zichzelf op.
Ik geef hem over de tafel aan haar.Ze neemt hem zonder te bedanken.Aan het eind van de gangsteekt ze alleen haar arm uit.‘Deze is van de voorraadkamer.’De andere zit aan dezelfde ring.
